woensdag 15 oktober 2014

Allamanda blanchetii – Paarse Allamanda

Allamanda blanchetii – Paarse Allamanda

Wanneer men deze plant in tropische gebieden ziet, doet hij denken aan de Mandevilla die hier in Nederland erg populair is als kuipplant. Echter de Mandevilla is een echte klimmer/ kruiper en de Allamanda niet echt. Wel kan hij scheuten van drie meter in één jaar maken dat doet denken aan een klimmer. Beide planten bloeien overigens zeer uitbundig. Wie de Allamanda kent, denkt bij de naam Allamanda aan de gele variant die veelal wordt aangeplant in tropische siertuinen. Er bestaan ongeveer vijftien soorten van dit geslacht. De Allamanda blanchetii komt oorspronkelijk, naar men denkt, uit Brazilië. Hij behoort tot de Apocynaceae (Maagdenpalmfamilie). Hij is vernoemd naar een Zwitserse botanicus Frederic-Louis Allamand die Carolus Linnaeus hielp bij het beschrijven van de plantensoorten.
Zijn soortnaam is tevens vernoemd naar een Zwitserse botanist, genaamd Jacques Samuel Blanchet.
 
De Allamanda blanchetii groeit op vochtige plekken, meestal langs oevers, want zoute plekken vermijdt hij liever. Het is een groenblijvende struik en een zeer snelle groeier, hij kan zo’n tien meter hoog worden. Zijn twijgen bevatten een melksap die zeer giftig is. Het blad is glanzend en staan in kransvorm om de twijg, meestal zijn dit vier bladeren. Bloeien doet hij de hele zomer. De bloemen bevatten vijf paarse bloemblaadjes en staan in een trechtervorm. Vlinders, bijen en vogels bestuiven de bloem. Na de bevruchting vormt hij een stekelige vrucht die twee tot vier zaden bevat. Het zaaien gaat vrij gemakkelijk, net als het stekken. Hij kan als kuipplant gehouden worden, maar haal hem bij een temperatuur beneden de vijftien graden al naar binnen.

woensdag 8 oktober 2014

Leucospermum cordifolium – Rood Speldenkussen

Leucospermum cordifolium – Rood Speldenkussen

Iedereen die wel eens op vakantie is geweest in Zuid-Afrika, vooral aan de kuststreek, heeft het prachtige fynbos wel eens bezocht. Vooral in de zomermaanden zijn de ‘berghellingen’ bedekt met een kleurig bloemenkleed. Jammer genoeg is hier tegenwoordig ook al sprake van klimaatverandering en men probeert met alle macht het fynbos in stand te houden. Eén van de bekendste planten die hier staan, zijn de gelachten uit de Proteafamilie (Proteaceae).
Deze familie bestaat uit zo’n tachtig geslachten en wel zeventienhonderd soorten. De geslachten uit de Proteafamilie behoren niet voor niets tot deze familie.
Proteus was een Griekse zeegod die zich kon veranderen van vorm en uiterlijk.
De meeste Proteaceae geslachten verschillen onderling van blad- en bloemvorm, tevens veranderen zij van vorm en uiterlijk gedurende de seizoenen.
Het geslacht Leucospermum kent ongeveer vijftig soorten. Het grootste kenmerk van de soorten is de bloeiwijze die op een speldenkussen lijkt. De naam Leucospermum komt uit het Grieks en betekent letterlijk wit zaad. Zijn soortnaam cordifolium betekent met hartvormige bladeren. Hij is afkomstig uit Zuid-Afrika en groeit langs de rotsachtige hellingen aan de kust, waar de Indische- en Atlantische zee het specifieke klimaat bepalen. Het is een groenblijvende struik die vijf meter hoog kan worden. Meestal groeit hij breeduit met lange twijgen, waar zich aan het uiteinde de bloem vormt. Bloeien doet hij in de zomermaanden en hij wordt door insecten en kleine honingvogels bestoven. Het begint met een compacte bloemknop die verkleurt, waarna de buitenste meeldraden/vruchtbeginsels zich uitvouwen van buiten naar binnen. De bloem bestaat uit clusters en elke cluster bestaat uit een vruchtbeginsel, korte stijl met daaruit een lange meeldraad. Hij is overigens niet zelf bestuivend. Het blad en het uiteinde van de twijg zijn licht behaard en voorzien van een waslaag die hem beschermt tegen de zoute zeewind. Het blad staat tegenover gesteld en wijst naar boven langs de twijg, het uiteinde is licht gelobd.
Een belangrijk kenmerk van de Leucospermum ten opzichte van de andere geslachten uit de Proteafamilie, is dat de bloem niet beschermt wordt door bloem- en kelkbladeren. De bloem komt men tegenwoordig veel tegen in bloemenwinkels. Hij wordt veel geteeld in Afrika, Australië en Israël als snijbloem. Bloemisten geven hem vaak de naam Nutan, maar deze naam is afkomstig van de Leucospermum nutan en heeft gele meeldraden met een oranje hartje. De Leucospermum cordifolium is hier nog niet verkrijgbaar als kuipplant, heel soms een ander Proteaceae geslacht. Het zaad is wel volop verkrijgbaar, zelf heb ik verschillende soorten mee genomen uit Zuid-Afrika, maar ik heb ze nog niet gezaaid. Wilt u ze zaaien, de zaadschil is erg hard, het zaad moet geweekt worden in water met een deel peroxide. In Zuid-Afrika kreeg ik de tip om hem op te kweken in zure grond, voorzien van een aslaag.

woensdag 1 oktober 2014

Lotus berthelotii – Canarische Rolklaver

Lotus berthelotii – Canarische Rolklaver

De Lotus die ik nu beschrijf mag men niet verwarren met de Lotusbloem, met de wetenschappelijke naam Nelumbo. De naam Lotus betekent verlangen/ zuiverheid, vandaar deze symbolische benaming voor de Lotusbloem. Berthelotii, zijn soortnaam, is een vernoeming naar een auteur die een boek schreef over de plantenwereld van de Canarische Eilanden. Waarschijnlijk vind de Lotus berthelotii hier dan ook zijn oorsprong. Hij behoort tot de Fabaceae (Vlinderbloemigen), van het geslacht Lotus bestaan enkele honderden soorten. Deze soort is erg zeldzaam geworden, men denkt dat het aantal  vogels die hem bestuiven sterk verminderd zijn. Gelukkig kunnen planten zich goed aanpassen, onlangs is er ontdekt dat insecten hem ook bestuiven, ik denk door een andere samenstelling van de nectar.

De Lotus berthelotii is een wintergroene kruiper. Zijn bladeren zijn wasachtig en zilvergrijs, ze lijken een beetje op kleine dennennaaldjes. Bloeien doet hij de hele zomer lang met papagaaienbekachtige bloemen, geel oranje gekleurd. Na de bevruchting krijgt hij ronde peulen, vandaar dan ook de naam Rolklaver. Door de vorm van de bloemen wordt hij ook wel Papagaaienbek genoemd. Als kuipplant is hij goed te houden, hoewel het overwinteren van deze plant erg moeilijk gaat. Beneden de vijf graden krijgt hij het erg moeilijk. Men zegt ook dat hij aardig wat droogte kan hebben, maar bij twee dagen droogte laat hij het echt afweten, dus goed vochtig houden. Wilt u hem houden als kuipplant, plaats hem dan in de volle zon en hij zal dan nog uitbundiger bloeien.

woensdag 24 september 2014

Helleborus orientalis – Oosters Nieskruid

Helleborus orientalis – Oosters Nieskruid

Een vaste plant die rond de herfstperiode erg populair is, is het Nieskruid, voor de meeste bekend onder de naam Kerstroos. De soort die ik hier beschrijf is de Helleborus orientalis, of Oosters Nieskruid, Lenteroos. Er bestaan drie verschillende ondersoorten van de Helleborus orientalis, een wit/ groen bloeiende, rood/ paars bloeiende en de gespikkeld/ gevlekt bloeiende. De bloeitijd varieert ook van deze drie ondersoorten, van laat in de zomer tot vroeg in het voorjaar. Hybride kruisingen komen wel vaker voor bij planten, meestal is dit tussen onderlinge soorten van een bepaald geslacht. Bij de Helleborus orientalis zijn het kruisingen van dezelfde soort, die men met een mooi woord intraspecifieke hybridisatie noemt. Daarnaast bestaan er ook nog door kwekers gekruiste soorten van deze ondersoorten, bijvoorbeeld: Helleborus orientalis subsp. guttatus ‘Phoebe’.



Van het geslacht Helleborus (Nieskruid) bestaan ongeveer twintig soorten en zij behoren tot de Ranunculaceae (Ranonkelfamilie) en komen overal ter wereld voor. De meeste soorten van het geslacht zijn giftig. De naam Helleborus stamt af uit het Grieks en kan twee betekenissen hebben, namelijk door jong hertje gegeten, of genezend. Orientalis betekent letterlijk uit het oosten. De Helleborus orientalis wordt zo’n vijftig centimeter hoog wanneer hij bloeit. In een zacht klimaat blijft deze plant wintergroen, hier in Nederland sterft hij meestal af en ziet men hem weer in het voorjaar verschijnen. Zijn blad is handvormig en staat op een dikke steel.
De bloem heeft, net als alle andere soorten, vijf bloemblaadjes met vele meeldraden. Hij staat graag op een vochtige humusrijke plek in de halfschaduw. Zaaien gaat heel gemakkelijk, maar houdt er dan wel rekening mee dat het een paar jaar kan duren voordat hij bloeit.

woensdag 17 september 2014

Metrosideros excelsa – Pohutukawa

Metrosideros excelsa – Pohutukawa

Een tijdje geleden kreeg ik van vrienden enkele planten foto’s opgestuurd. Om nog maar even bij de Myrtaceae (Mirtefamilie) te blijven, de Metrosideros excelsa.
Als eerste zal ik zijn geslachtsnaam eens vertalen, letterlijk betekent het hart van ijzer. Hij heeft deze naam niet alleen gekregen omdat het een ijzersterke plant is, maar ook vanwege zijn harde kernhout dat de Maori’s gebruikten om te beeldhouwen. Zijn soortnaam excelsa betekent hoog/ verheven en relateert naar zijn lange takken. Pohutukawa is een naam die hij van de Maori’s gekregen heeft en heeft te maken met een mythologisch verhaal over een jonge krijger. De boom staat voor de meeste Nieuw-Zeelanders symbool voor Kerstmis. Vanwege zijn diep rode bloemen wordt hij ook wel Nieuw-Zeelandse Kerstboom genoemd, tijdens de kerstdagen wordt hij versiert met wenskaarten en poëtische kerstverhalen.

Van de Metrosideros bestaan zo’n vijftig soorten, waaronder bomen, struiken en zelfs epifytische soorten. Als men kijkt naar de Metrosideros excelse, bevat zijn grillige stam ook enkele luchtwortels. De boom kan ongeveer vijfentwintig meter hoog worden en is wintergroen. Hij groeit op extreme plekken, zelfs op kale rotswanden waar hij zich vasthoudt door middel van zijn sterke wortels. Zijn lange takken hebben ellipsvormige tegenover staande bladeren. Het blad is vrij dik en grijs behaard, wat hem beschermdt tegen uitdroging en de wisselende temperatuur schommelingen in zijn leefgebied. De bloem bestaat net als de Callistemon uit vijf grote kelkbladeren, vijf kleine kroonbladeren en een tal van rode meeldraden.
De meeldraden bevatten een gele helmknop en de stijl heeft een honingmerk die insecten en kolibries lokt. Na de bevruchting vormen zich één centimeter grote doosvruchten. De Metrosideros wordt veel aangeplant in siertuinen waar hij als struik gehouden wordt. Hier in Nederland kan men hem, net als de Callistemon, houden als kuipplant.

woensdag 10 september 2014

Calliandra haematocephala – Rode Powderpuff

Calliandra haematocephala – Rode Powderpuff

In mijn vorige blog beschreef ik een tropische plant met opvallend lange meeldraden. De Calliandra die ik nu beschrijf is ook zo’n soort plant. Deze plant zien wij niet veel als kuipplant in Nederland, maar het kan wel. Vandaar dat men geen Nederlandse naam van deze plant kan vinden. In het Amerikaans heet hij Rode Powderpuff, die relateert aan een poedersponsje. De soortnaam Calliandra betekent mooie meeldraden, zijn soortnaam betekent rode meeldraden en bloemhoofdjes. Meestal ziet men hem terug in de Vlinderbloemigenfamilie (Fabaceae), tegenwoordig ook wel in de Mimosafamilie (Mimosaceae). Wat mij betreft valt hij onder de Mimosaceae, omdat hij de eigenschap heeft zijn bladeren bij regen en s ’nachts dicht te vouwen of sluit. Veel geslachten uit de Mimosaceae doen dit ook, denk daarbij maar aan het Kruidje Roer Me Niet.

Deze groenblijvende struik komt voor in Zuid-Amerika en in de warme delen van Azië. Het is een snelle groeier en kan hoger worden dan tien meter. De meeste soorten van dit geslacht hebben een fijn geveerd blad, de Calliandra haematocephala heeft een grof eirond geveerd blad. Er bestaan ongeveer tweehonderd soorten en cultivars van dit geslacht, bloeiend van wit, rood, paars en roze. Hij bloeit eigenlijk het hele jaar door, maar in de zomer bloeit hij het rijkelijkst. De bloemknop is lichtgroen en staat op een lang bloemsteeltje. Bij openbarsting komen de lange meeldraden naar buiten die samen met zijn zoete geur veel insecten en Kolibries aantrekken. Wilt u deze plant eens uitproberen als kuipplant, het zaad is hier volop verkrijgbaar.

woensdag 3 september 2014

Callistemon citrinus – Rode Lampenpoetser

Callistemon citrinus – Rode Lampenpoetser

Een kuipplant die wij tegenwoordig veel zien in de tuincentrums is de Callistemon. Meestal bloeit hij laat in de zomer, maar bij mij bloeit hij nu voor een tweede keer. Zijn naam betekent letterlijk in het Grieks schone meeldraad, de soortnaam citrinus heeft hij gekregen door de geur van het blad na kneuzing, citroenachtig. Van het geslacht Callistemon bestaan ongeveer vijfendertig soorten en vele cultivars.
Hij behoort tot de Mirtefamilie, Myrtaceae, bekende soorten uit deze familie zijn de Kruidnagel en de Eucalyptus. Kenmerken van deze familie zijn een basis van vijf bloemblaadjes en veel opvallende lange meeldraden. De Callistemon komt veel voor in het zuiden van Australië.


Normaliter wordt de Callistemon citrinus zo’n vier meter hoog, maar er bestaan exemplaren van twaalf meter hoog. Hij heeft lang lancetvormig blad die spiraalsgewijs om de twijg heen staan. Het is een blad houdende struik met overhangende takken. Aan het einde van de twijg vormt zich in augustus de bloei aar. Tijdens de bloeiperiode groeit de twijg achter de bloei aar verder. De bloemen hebben vijf onopvallende bloemblaadjes, talloze rode meeldraden met een gele helmknop met één stamper. Vogels zijn gek op zijn zoete nectar. Na de bevruchting vormen zich kleine grijze ronde vruchtjes rond de twijg. Soms blijven de vruchtjes er langer dan twee jaar aan zitten.